Mirjam Slokker

Coaching en blogs

Simpel is het moeilijkst

Zoals: gewoon beginnen. Ja, ik ben nu begonnen. Maar als ik nu terug zou lezen, zou ik het een slap begin vinden. Select all - delete. Maar ja. Dan wordt het nog moeilijker. Want het nieuwe stukje moet wel beter zijn dan het eerste. En al denkend over een geniale opening zou ik mentaal in de knoop raken. En besluiten te wachten op een moment van inspiratie. Niet nu, blijkbaar, anders schreef ik wel wat beters. Ja toch?

Nou, dat gebeurt zo een paar keer en dan heb je ineens maanden niks geschreven. Vrienden beginnen te vragen of je niet meer blogt. Je verzint een vaag antwoord over ‘druk, even geen inspiratie, het moet geen verplichting worden, spontaniteit blablabla’. En komt er mee weg (schandalig eigenlijk). En ondertussen vraag ik me af of ik m’n Mojo kwijt ben. En groeit de overtuiging dat ik een ijzersterke comeback MOET maken om mijn credibility te behouden. Ja ja, mensen, in mijn hoofd is het nogal een happening hoor, die blogs. En je snapt dat hoe langer dit duurt, hoe ingewikkelder het wordt om weer te starten.

En dan is een blog nog een solistische actie. Trek dit door naar een collectieve setting waarin mensen het min of meer eens moeten worden voor ze tot actie over kunnen gaan. Ja, laten we dat eens doen. Stel er is een groot maatschappelijk probleem. Allerlei belanghebbenden. Er moet een oplossing komen. En snel een beetje. Maar hoe? Een plan, we hebben een plan nodig. Een integraal plan. Ja mooi, integraal, doen we. Misschien ook wat scenario’s erbij. Maar wat zijn de juiste scenario’s? Tja, dat weet niemand. Schrijf maar uit dan zien we het daarna wel. Zo zo, grondig uitgewerkt. Weten we in ieder geval wat de kansen en valkuilen zijn in bij-voorbaat-kansloos-scenario X. Bedankt. Plan versie 1.0 belandt in de grindbak. Weet je wat, we doen het Agile. Uitstekend, wat is dat? Dat ligt eraan wie je het vraagt. Maar schijnbaar iets zonder plan. Oh, klinkt goed. Ok, wat is de eerste stap? Ja, dat stond verdomme in het 1.0-plan! Ok, we stoffen het plan weer af. Eerst actualiseren dan he? Versie 2.0. De context verandert continu! Ja, maar welke ontwikkelingen zijn allemaal relevant? Laten we daarover brainstormen. Pressure-cooker, lekker. Wie moeten er bij zijn? Ik overleg even. Moet wel op een moment dat iedereen kan. Enfin, een half jaar later begint het vermoeden te ontstaan dat ‘we niet zo goed zijn in doorpakken’ en ook een beetje ‘vergadermoe’. Begrijpelijk, want van het schrijven van deze alinea krijg ik al acute wegtrekkers. En toch gebeurt het ons allemaal.

Waarom doen we zo ingewikkeld?? Moeilijke vraag. Althans, makkelijke vraag, moeilijk te beantwoorden. Ik doe een poging. Stel nu dat het heel anders gaat en dat we gewoon hup, van A naar B gaan. Van probleem signaleren direct naar een oplossing. Van het idee om een blog te schrijven naar een geschreven blog. Hoe zou dat zijn? Laat ik de blog pakken. Ik verzin wat, schrijf het en post het (zo gaat het overigens ook wel eens hoor - sprak zij verdedigend). Het meest stressvolle moment van iets schrijven voor op social media is niet het schrijven zelf, maar het moment net na het posten. Hoe valt het? ‘Shit, die ene alinea is misschien toch te belerend. Ik haal hem eraf. Nee dat komt ook raar over. Maak ik mezelf niet belachelijk met deze ‘stukjes’? Waarom doe ik dit eigenlijk?? En ik houd niet eens van social media, lekker hypocriet! Ben ik niet gewoon een rare aandachttrekker?’ En zo kan ik nog wel even doorgaan. Het proces ervoor is echt veel fijner. Beetje brainstormen, wat schrijven, fijn slijpen, eindeloos opnieuw doorlezen, zelfgenoegzaam glimlachen, hier en daar nog wat schrappen. Lekker bezig. Maar op een goed moment gaat dan toch de energie eruit komt de select all - delete weer om de hoek. Scheelt jullie een hoop leestijd, maar voelt toch als een gevalletje ‘jammer joh’. Die tijd had nuttiger besteed kunnen worden. Ik moet dus tempo houden om te voorkomen dat ik het teveel ga overdenken. Gewoon hatsa, posten voordat mijn innerlijke criticus er lucht van krijgt. Wie niet heldhaftig is, moet snel zijn. Vertrouwen op je ideeën en het vermogen om bij te sturen als je eenmaal onderweg bent. Maar wel gaan.

Nou, het kostte misschien even tijd om dat in te zien, maar voila. Tussen dromen en doen zit angst die we in de ogen moeten kijken. Niet bang zijn om je creaties te delen, niet bang zijn om het fout te doen, niet bang zijn maar ergens te beginnen ook al zie je de rest van de route nog niet. En we zijn eindeloos handig in het verzinnen van ‘voorwaarden’ die ons van het padje houden. Ik ben daar zelf een meester in, al zeg ik het zelf. Dus heb ik mij aangeleerd om regelmatig te checken of ik handel vanuit de angst om te falen of vanuit liefde voor mijn werk. Want natuurlijk wil ik iets goeds neerzetten. Jij toch ook? En dat mag even tijd kosten. Een half jaar kan kort zijn voor een meesterwerk. Neem de tijd. Zolang het maar geen onzin is waar je mee bezig bent.

Zo simpel? Zo moeilijk.

Het is geven en geven

Taal zit vol met wijsheid. Vooral de uitdrukkingen en gezegden. Ze hebben een bepaalde tijdloze vanzelfsprekendheid. ‘Het kan vriezen, het kan dooien.’ ‘Gezelligheid kent geen tijd.’ ‘Komt men over de hond, dan komt men over de staart’. Zo is het maar net. Geen speld tussen te krijgen.

(ok, ik neem nu het risico dat je afhaakt om de laatste uitdrukking te googelen, maar blijf hangen, en ja: hij bestaat echt)

Waar ik wel even een speld tussen wil steken, is de uitdrukking ‘Het is geven en nemen.’ Op het eerste gezicht een prima uitdrukking. In het leven heb je soms wind mee en soms wind tegen. En geven hoort erbij. Geven is leven, zou ik bijna willen zeggen. Het voelt lekker om te geven en lekker om te krijgen. Win-win. Geven kun je aan een ander maar ook aan jezelf. Hoe meer je jezelf gunt, hoe meer overvloed je ervaart en hoe meer je te geven hebt aan een ander. En andersom natuurlijk. Als je jezelf een behoefte ontzegt, wordt geven ook een stuk lastiger. Ze zeggen in het vliegtuig niet voor niets dat je eerst je eigen zuurstofmasker moet opzetten en dan je kind moet helpen. Dat zou een uitdrukking moeten worden! ‘Men neme terstond het masker ten hoofde, alvorens de zijnen te redden op hoogte’. Of meer van deze tijd: ‘Wie een echte held wil zijn, zorgt voor zuurstof naar z’n brein'.

Anyway, dat ‘nemen’, daar is iets mee. Daar wringt voor mij de schoen, zullen we maar zeggen. Het klinkt als: ik heb gegeven en daarmee iets terugverdiend, en dat neem ik nu. Eén ding is dan zeker: het is je niet gegeven. Want je eigent het je toe. Het ‘geven’ was blijkbaar onderdeel van een transactie. Op zich niks mis mee, maar dan is de uitdrukking ‘Voor wat hoort wat’ transparanter. Geven is belangeloos. Je geeft omdat je dat wilt en je verwacht niets terug. Je bent dus ook niet teleurgesteld als het je niets oplevert. Een gegeven paard kijk je niet in de bek, maar dankbaarheid laat zich niet afdwingen.

Ik denk dat veel relaties die onder druk staan, last hebben van het ‘geven en nemen’-syndroom. Dat patroon verloopt ongeveer zo: ik vind dat er iets niet lekker zit tussen mij en de ander. Ik besluit mijn beste beentje voor te zetten en een welwillend gebaar te maken richting de ander. Ik voel mij even beter omdat ik over mijn eigen schaduw heen gestapt ben. Ik heb ‘gegeven’. Nu moet de ander over de brug komen, vind ik, zodat de rekening vereffend kan worden. Als de ander nu terugkomt met iets, heb ik dat dus al ingecalculeerd. Als de ander niet terugkomt met iets, ben ik teleurgesteld of boos. De ander doet het dus bij voorbaat niet goed, of hooguit conform verwachting. Voelt zich misschien wel geforceerd iets terug te doen, maar echt van harte gaat het niet. Dat merk ik natuurlijk en daar baal ik vervolgens weer van. Mijn 'gebaar' maakt de situatie er dus niet beter op, maar complexer. En dat is niet vreemd. Relaties floreren niet wanneer de balans continu moet worden opgemaakt.

Om eruit te komen moet je naar een ‘geven en geven’-situatie. Ga eerst jezelf geven wat je bij de ander zocht. Als je vindt dat de ander je meer moet waarderen, waardeer jezelf dan meer. Als je je overvraagd voelt, gun jezelf dan rust. Zorg voor jezelf zodat je je goed voelt en je vanuit dat gevoel de ander oprecht iets kunt gunnen.

En als je echt iets nodig hebt van de ander kun je natuurlijk ook vragen. Ja, een ongelofelijke open deur. Maar in de praktijk wurmen we ons doorgaans liever door het ‘ik geef het goede voorbeeld en dan MOET de ander wel volgen’-raampje. Ik heb ook van die raampjes thuis en je komt er toch nooit helemaal lekker door naar binnen. Bovendien tocht er vaak een ‘erg jammer dat je dit niet uit jezelf hebt begrepen’-windje doorheen. Val liever met de deur in huis, vraagt en gij zult ontvangen. Of niet natuurlijk. Want wie vraagt wordt soms overgeslagen en zal in ieder geval met het antwoord moeten leven. Enfin, van een beetje duidelijkheid is nog nooit iemand slechter geworden.

Als je echt wilt geven, geef dan dus eerst jezelf en dan de ander. Om de daad bij het woord te voegen stel ik voor de uitdrukking 'Het is geven en nemen' per ommegaande te veranderen in ‘Het is geven en geven’. En laten we ook een gekuisde Nederlandse vertaling toevoegen van de Engelse uitdrukking ‘Assumption is the mother of all f#&k-ups.’ Veel wijzer dan dat wordt het niet. Neem dat maar van mij aan. Liever goed gejat dan slecht bedacht.

Vier je leven

‘Vier jij je verjaardag nog dit jaar?’ Die vraag trekt mijn struisvogelende hoofd ieder jaar genadeloos uit het zand. Mijn verjaardag valt vlak na Sinterklaas. Voor mij vaak een reden om het niet te vieren. ‘Vanwege de drukte’. Kom je goed mee weg, zeker bij de mensen die Sinterklaas en Kerst in drie- of viervoud vieren. Met schoon-en stieffamilies en dubbelzijdig gescheiden ouders. En als je pech hebt ook nog met de buren en oud jaarclubgenoten. Je kent ze wel. Van die groepen met namen als ‘de Hulken’ of ‘de Meiden’. Namen die opvallend weinig meer te maken hebben met de huidige look and feel van de leden. Maar dat terzijde.

Anyway, ik heb mijn verjaardag meerdere malen laten lopen vanuit de gedachte dat niemand erop zat te wachten. En er dus ook niemand zou komen. Ik vertelde mezelf dat het logisch was dat ik het aflegde tegen Sinterklaas. Ik ken weinig mensen die zo ontzettend feestelijk uitpakken als hij. Overdreven gedoe met zo’n zak vol precies goede cadeautjes voor iedereen. Hysterisch pepernoten door de kamer smijtend. Met slecht opgemaakte en gepermanente figuren in panties die domme grappen maken. Hoewel, ik sluit niet uit dat ik het laatste ook wel eens aan de hand heb gehad op één van mijn feestjes. Maar op mijn verjaardagen pak ik de cadeaus uit en niet de gasten. Misschien ligt het daaraan.

Dit jaar voelde het niet goed om m’n verjaardag over te slaan. Misschien omdat ik op de leeftijd kom waarop mensen beginnen weg te vallen. Ouders van vrienden. Maar ook in m’n eigen binnenkring. Het geeft een gevoel van kwetsbaarheid. En een behoefte om wie er (nog) is bij me te houden. Dankbaar te zijn dat ze er zijn. Hen niet als vanzelfsprekend te zien. En de ‘vier’-momenten (feest-en verjaardagen) aan te grijpen.

Ik heb mijn angst voor een mislukt verjaardagsfeestje dus in de ogen gekeken. Ik zag het voor me. Zo'n moeizame zit met anderhalve paardenkop rondom een glaasje zoute sticks. Waar je je iedere minuut afvraagt of het lullig is als je al weg gaat. Ja, ook op je eigen feestje kun je je dat afvragen, trust me. Maar toch. Het is uiteindelijk mijn feestje. I call the shots. Ik kan in ieder geval zorgen voor fatsoenlijke happen en een programma met beweging. En for the record: paardenkoppen kom je in mijn entourage niet tegen. Het zijn over het algemeen behoorlijke knapperds, al zeg ik het zelf.

En het is me gelukt. Ik ben 37 geworden. Oud genoeg om niet kinderachtig te doen over m'n verjaardag. Jong genoeg om nog in te zijn voor een feestje. Was iedereen er? Uiteraard niet. Vond ik dat jammer? Ja, ik vond het jammer. Maar ik heb een feestelijk jurkje aangetrokken en met de mensen die er waren een hele fijne middag gehad. Met bitterballen. Lang zal ze leven! Ok, dat weten we niet zeker. Maar leven zal ze. En het vieren ook. En mocht ik dit volgend jaar dreigen te vergeten...vraag me dan alsjeblieft wanneer ik mijn verjaardag vier.

Incasseren moet je leren

Toen het geduld werd uitgedeeld stond ik niet vooraan in de rij. Waarschijnlijk was ik op zoek naar de zelfscan. En laat ik nu een partner hebben die ook houdt van een beetje tempo. Heerlijk, want ongeduldige mensen wachten niet graag op anderen. En wij snappen dat van elkaar.

Dat liep allemaal soepeltjes toen we nog geen kinderen hadden. We sjeesden lekker in ons eigen tempo, soms samen, soms apart. En soms deden we lekker even niets, want ook ongeduldige types moeten af en toe op adem komen. Dat ging prima en om eerlijk te zijn was ik mijn eigen ongeduld een beetje vergeten. Tot onze dochters geboren werden.

Kinderen zijn niet bezig met tijd. Ja, ze willen langer blijven spelen of minder vroeg naar bed. Maar op tijd komen en efficiency, dat zegt ze helemaal niks. En gelijk hebben ze natuurlijk. Waar zou je je druk om maken? Mijn jongste zei laatst dat het kwart over uur was. Vrij diepzinnig voor een driejarige, vond ik. Ik besefte weer hoe relatief tijd eigenlijk is. Tot ik weer haast kreeg. Want op school beginnen ze niet om half uur, maar om half negen sharp.

Ik voel mij naar mijn kinderen toe best schuldig over mijn ongeduld. En soms ook gefrustreerd. Want terwijl ik zelf probeer uit m’n tijdschema’s te komen en meer mindfull te zijn, trek ik mijn kinderen juist uit het moment en in tijdschema’s. Tragisch toch? Opvoeden voelt soms bijna letterlijk als het kind met het badwater weggooien. Met alles wat we ze aanleren, leren we ze ook iets af. Puur gedrag wordt ingekaderd. Van ongeremd naar getemd. Van tijdloos naar tijdsdruk.

De dames zelf zijn ook niet de geduldigste, trouwens. Niet vreemd natuurlijk, de appel valt snel, maar niet ver van de boom. Wat dat betreft lopen de gemoederen bij de familie Ongeduld soms hoog op. En worden we allemaal gechallenged om ons aan elkaar aan te passen. En dat is goed. Laat ze maar zien dat er grenzen zijn aan het incasseringsvermogen van volwassenen. En laat ze vooral ook leren zelf te incasseren. Want, to be honest, incasseren is een ondergewaardeerde vaardigheid aan het worden. We leren dat we onszelf mogen zijn en dat we moeten gaan voor wat we willen. Mooi, maar als het anders loopt, zijn we geneigd te oordelen en in opstand te komen. En daar is geduld soms toch de enige duurzame oplossing.

Ik train mijzelf om geduldig te zijn met mijn eigen ongeduld. Het minder te veroordelen en de onvrede bij anderen te incasseren wanneer ik vanuit ongeduld een grens trek. Dan loop ik soms maar met een brullend kind over straat. Of laat ik anderen schrikken door met mijn vuist op tafel te slaan. Het hoort voor mij bij mezelf zijn. En op veel momenten kan ik ook niet anders. Ik op mijn beurt probeer te accepteren dat anderen me soms niet (meteen) snappen.

Ik ben daarmee geen perfect voorbeeld voor mijn dochters. Maar wel een realistisch voorbeeld. En dat is misschien wel beter. Het goede nieuws is dat de lucht ook snel geklaard is als het opgebouwde ongeduld z’n weg naar buiten heeft gevonden. Even knallen en weer door. En dat kunnen de dames gelukkig ook als geen ander. Diep verdriet maakt instantly plaats voor ultiem geluk. Die schakelsnelheid kunnen zelfs papa en mama soms niet bijbenen. Slome oudjes.

What to say when you talk to yourself

Als je morgen heel Nederland op cursus zou mogen sturen. En jij bepaalt. Wat voor cursus kies je dan? Let wel: je moet zelf ook. Dus als heel Nederland op een cursus ‘zeemeerminnen’ gaat (ja, het bestaat echt), denk maar niet dat jij dan aan de kant filmpjes staat te maken. Staart aan, schelpen aan en gaan. Ik zie het helemaal voor me.

Ik stel de vraag natuurlijk niet voor niets. Want ik heb wel een suggestie. Het zou mij fantastisch lijken als heel Nederland een cursus positieve selftalk volgt. Een cursus positief in jezelf praten. Want in jezelf praten is natuurlijk niet voorbehouden aan bejaarden en idioten. Het enige verschil is dat zij het hardop doen en niet stiekem in hun hoofd. Alsof je er niet mee bezig zou zijn. Gesprekken met jezelf zijn een wezenlijk onderdeel van je ‘zijn’. Net als ademen. En net als ademen doen we het 90% van de tijd onbewust. En dat is eigenlijk bizar.

Want als er iets is wat ongeveer alles bepaalt, maar waar we collectief onbekwaam in zijn, dan is het de manier waarop we met onszelf praten. Ga maar na. We ontmoedigen onszelf wanneer we een idee hebben. Door te denken aan de bezwaren en redenen waarom het zou kunnen mislukken. We pushen onszelf door te vinden dat we pas ontspanning verdienen als alles af is. We halen oude koeien uit de sloot, door onszelf eraan te herinneren dat deze mislukking wel erg lijkt op de vorige, en die daarvoor, etc. We klagen over hoe we nooit op iemand kunnen rekenen en alles altijd alleen moeten doen (‘alles’ en ‘altijd’ geven dubbele woordwaarde in de categorie klagen). We maken onszelf kleiner door te vergelijken met anderen die het ‘beter’ doen.

Ik kan nog wel even doorgaan maar het begint een aardig zuur verhaal te worden. En het ging juist om positieve selftalk. Mijn punt is dat we geneigd zijn onszelf toe te spreken op een manier die je van een ander niet zou pikken. Dat is toch op z’n minst bijzonder? Zeker als je bedenkt dat we nogal wat tijd doorbrengen met onze gedachten. Het goede nieuws is natuurlijk dat er veel te winnen is. Als je dag en nacht een coach aan je zijde krijgt in plaats van een azijnpisser, hoeveel succesvoller zou je zijn?

Het kan mensen, het kan. Want het brein is programmeerbaar. De default settings zijn ingesteld op risico’s vermijden en niet op je goed voelen. Dus je zult moeten herprogrammeren, negatieve gedachten vervangen door leukere gedachten. Ik vond het in eerste instantie heel gekunsteld om geforceerd positieve dingen te denken. Ik dacht: als ik het niet zo voel, werkt het toch niet? Maar de grap is dat de volgorde andersom is. Er is eerst een gedachte en dan een gevoel. Ik beoordeel iets als leuk, ik voel me goed. Ik beoordeel iets als niet leuk, ik voel me slecht. Een oordeel is niets meer dan een gedachte. Dus als je je gedachten kunt sturen, kun je je gevoel sturen. Ik zeg: delete crap, replace with fun.

Klinkt simpel en dat is het ook. Maar je moet het wel trainen. En precies daarom: iedereen op cursus en samen oefenen. Stel je voor dat heel Nederland aan de slag gaat met positieve gedachten. Hoe heerlijk is dat? Iedereen roept ‘s morgens tegen zichzelf in de spiegel: je bent precies goed zoals je bent en deze dag wordt fantastisch! We worden een beetje Amerikaans. Yes we can! Misschien leuk om vast wat voor jezelf te oefenen tot het zo ver is. Dit boek is een aanrader voor wie aan de slag wil. Of ga toch lekker zeemeerminnen. Leuk voor de azijnpisser.

Accepteren met ambitie

Wie zich een beetje heeft verdiept in de wetten van geluk, weet dat het allemaal draait om acceptatie. Mo Gawdat, ingenieur, succesvol zakenman en auteur van het boek ‘Solve for happy’ (De logica van geluk) stelt het zelfs als formule. Geluk is het verschil tussen wat er is en je verwachting. Verwacht je te veel, dan ervaar je teleurstelling. Verwacht je niks of weinig, dan wordt je aangenaam door het leven verrast. Klinkt logisch, Mo.

Dankbaarheid is ook een gelukswet. Als je voldoende bewustzijn kunt opbrengen om te zien wat je hebt, voel je geluk. Het werkt echt. Regelmatig stilstaan bij de dingen waar je dankbaar voor bent. Want waar je de focus op legt, daar zie je meer van. So it better be the good stuff. Check.

En ‘zijn’. Zijn is ook belangrijk. We doen en denken te veel en zijn te weinig. We worden gelukkiger van vaker en meer bewust zijn. Wat ook weer nodig is om dankbaarheid te kunnen ervaren. Tot zo ver ben ik helemaal aan boord bij de logica van geluk. En ik kan hem uit ervaring onderschrijven.

Maar hoe ga je weer van zijn naar doen? Want zelfs als je een monnik bent, mediterend op een berg in Nepal, je maag gaat op een goed moment toch rommelen. Dat accepteer je niet weg. Honger wint. Bij mij althans. Kanttekening: ik ben niet verlicht.

Hoe zit dit? De meesten van ons moeten dingen doen om comfortabel te kunnen ‘zijn’. Je weet wel, werk, brood op de plank, dat soort aards geneuzel. En om eerlijk te zijn vind ik er weinig aan om een beetje dankbaar te zitten accepteren terwijl er allerlei leuke kansen voorbij komen. Want dan wordt het bijna apathisch. ‘Zou je niet eens wat gaan doen met je leven? Nee, ik accepteer mijn miserabele eenzaamheid met grote dankbaarheid.’ Dat klinkt meer als ontmoedigd dan gelukkig. Als je niet uitkijkt, wordt acceptatie een vrijbrief voor blijven hangen in wat je niet wilt. Wat niet leidt tot geluk, obviously.

Voor mij begint geluk bij ambitie. En dat heeft met zijn én doen te maken. Namelijk: je doet je best. You show up. Je komt in actie en gaat voor de dingen die voor jou belangrijk zijn. Klein of groot. Niet zozeer om een bepaalde uitkomst te bereiken. Maar wel om van je leven een zo mooi mogelijke reis te maken. Ook als het anders loopt dan je hoopte.

Mo verloor zijn zoon. Hij greep die gebeurtenis aan om een boek te schrijven. Waarbij hij dankbaar gebruik maakt van de wijsheid van zijn zoon. Uit de tijd dat hij er nog was. Een super inspirerend voorbeeld van iemand die de acceptatie van verlies en de ambitie om er wat van te maken aan elkaar verbindt. Als Mo het onder die omstandigheden kan, kunnen wij het ook.

Dus. Wet 1: Het is jouw leven en je maakt er zelf het beste van. Wet 2: Je accepteert dat je daarbij niet alles in de hand hebt en dat sommige dingen zijn wat ze zijn. Wet 3: Je bent dankbaar voor wat er goed gaat. Je ziet het en waardeert het. En ten slotte wet 4: Als je honger hebt, eet je. Namasté.

Don't get overrated

Waardering. We lopen er lekker op. Voelen ons vrijer, blijer en capabeler als we gewaardeerd worden. En het fijnst is het, als we elkaar allemaal fantastisch vinden. Alsof we allemaal net dat borreltje teveel op hebben. Heerlijk. Let’s get drunk on love everyone!

En toch is waardering overrated. Sterker nog: het is iets om zorgvuldig mee om te gaan. Want het werkt verslavend. En vertroebelt je oordeel. Hier spreekt een recovering love junk uit ervaring.

Het begint onschuldig. Als klein kind wil je niets liever dan je ouders blij maken. Mooie tekening gemaakt, papa en mama trots. Mooie tekening wordt goede cijfers, lief zijn voor anderen, je steentje bijdragen, laten zien dat je verantwoordelijkheid kunt dragen, etc, etc. ‘Het goed doen’ is de succesformule. Want als iedereen blij met je is, ben jij ook blij. Toch?

Ik kan je vertellen: de succesformule bracht mij op een punt waarop ik niet blij was. Verre van blij zelfs. Met mezelf en met wat ik deed. De omgeving waardeerde mij meer dan ik mezelf waardeerde. Ik was feitelijk overgewaardeerd. Overrated. Als zo'n lelijke en onbetaalbare Louis Vuitton handtas. Of zo’n überhip festival met slechte muziek en te duur biodynamisch eten. Waar je de halve dag in de rij staat voor je gin tonic (ook zoiets).

Doe er wat aan, zou je zeggen. Ga wat anders doen. Het vervelende was dat de waardering die ik kreeg van anderen me precies op m’n plek hield. Het was steeds net genoeg om me even gezien en bevestigd te voelen in wat ik deed. De onrust tijdelijk te verdoven. Waardering was een painkiller geworden.

Ik merkte het pas echt toen de waardering op een bepaald vlak wegviel en ik me instantly ongemotiveerd en gefrustreerd voelde. Waarom doe ik dit nog? En voor wie? Eindelijk een paar zinnige vragen. Een nuchter moment.

Afkicken is net als met andere verslavingen. In eerste instantie makkelijk. Trots op m’n nieuwe ‘I don’t give a f#ck’-attitude. Lekker, vol zelfvertrouwen doen wat ik wil. En het wordt nog geaccepteerd ook. Sterker nog, mensen bewonderen m’n lef. Moet je zien hoeveel positieve reacties ik krijg! STOP. Daar deed je het toch niet voor? Ai...weer bezweken voor dat shotje positieve aandacht.

Ok, je hoeft geen totale psychopaat te worden. Die geniet van de teleurstelling van anderen. Gruwelt van enige bevestiging en het liefst niet op z’n plek zit. Als waardering maar geen drijfveer is. Waardering resoneert eigenlijk alleen als je zelf ook tevreden bent. En dan is die shot lekker, maar niet meer dan de kers op de taart. De slagroom op je advocaatje. De alfalfa op je linksdraaiende vegan tofuburger. Over overrated gesproken.

Waarom je af en toe een aapje moet laten vallen

‘Stop, hou op.’ Zo leert ze het op school, m’n oudste dochter. Grenzen stellen. De jongste van twee heeft haar eigen variant: ‘Ga wegwezen!’ Ook zeer effectief. Ik ben blij dat ze dit zo vroeg leren. Want grenzen stellen, je kunt er een leven lang mee oefenen. Op tijd aanvoelen, diplomatiek aangeven, niet te soft. En daarna echt die terugtrekkende beweging maken. Je mond houden. Niet verzachten. Geen hulp aanbieden. De boodschap laten landen. Adem in, adem uit en zie het aapje overspringen van jouw schouder naar die van de ander. Dat voelt dan toch wel lekker.

Maar wat nu als die ander een terugtrekkende beweging maakt? Het aapje wordt niet begripvol opgevangen. Het belandt met een rotklap op de grond. Dankzij jouw grens ligt er een hoopje pluizige ellende tussen jullie in. De ander maakt geen aanstalten om eerste hulp te verlenen. Sterker nog: jij wordt aangekeken. En je vindt het zelf eigenlijk ook wel zielig.

Ok, tot zo ver de apenmetafoor. Maar stel je eens voor dat het om je levenswerk gaat. De overdracht van een project waar je je ziel en zaligheid in hebt gestoken. Een sportteam dat je met liefde coacht en dat compleet op jou is gaan leunen. Een relatie die superbelangrijk voor je is, maar te veel van je vergt. Wat als je daar grenzen stelt? Eigenaarschap probeert over te dragen? En het wordt niet opgepakt? Laat je het dan klappen?

In de economie bestaat er zoiets al creatieve destructie. In een onhoudbaar systeem gaan er op den duur dingen stuk. Spelers overleven het niet. Gaan failliet. Anderen pakken een nieuwe plek. Er verschuiven dingen, zodanig dat het systeem weer houdbaar wordt. Wanneer we een grens trekken in een niet goed functionerende situatie gebeurt hetzelfde. Er gaat iets kapot. Om vervolgens ruimte te maken voor een nieuwe orde. Die beter functioneert.

Klinkt gezond. Maar dat dingen kapot gaan, ook al is dat op weg naar iets beters, daar zijn we over het algemeen niet erg van gecharmeerd. Ik niet althans. Zeker niet als je het ziet aankomen. En kunt voorkomen. Want dat denk je. Ten koste van jezelf, weliswaar. Maar van het alternatief (grens stellen, gevolgd door chaos) heb je ook last.

Tot het een keer op is. Je geduld. En dan is er niets anders over dan een harde grens trekken. Met abrupte gevolgen. Schokeffect. Crisis. Gevolgd door herstel, maar meestal slechts gedeeltelijk en langzaam. Hoe groter de aap, hoe minder de ander bereid is hem beet te pakken, hoe meer stukjes aap op de grond (niet visualiseren). Geen aantrekkelijk scenario.

Je moet dus eerder door de zure appel heen. Door te aanvaarden dat sommige dingen niet te redden zijn. Imperfectie te accepteren. De pijn moet soms eerst gevoeld worden, voordat anderen opstaan. Dus maak plek. Verdraag de transitie naar een betere oplossing. Maar stel die grens wel. Zo wordt je geen slachtoffer van een onhoudbaar systeem. Neem je verantwoordelijkheid voor wat je kunt dragen.

Ook ik leer om regelmatig bewust en strategisch een aapje te laten ploffen. Hoe pijnlijk ook. Het is nodig om met volle overgave voor mijn andere aapjes te kunnen zorgen. En die twee van mij hebben het allang begrepen. Stop, hou op. Wij zijn er ook nog.

Ik ga naar m'n werk en neem mee...

mezelf. Uh, ja dat lijkt me wel. Nou, als ik eerlijk ben, 70% van mezelf. Op een goede dag misschien 80%. En dat is al behoorlijk veel. Ga maar na. Het begint al bij de dresscode: zakelijk. Communiceren per mail. Vergaderen met een agenda. Bij je leidinggevende checken of je toestemming hebt voor bepaalde beslissingen. Zo gaat het bij mij thuis niet kan ik je vertellen. Ik snap de organisatieregels best wel. Want als we allemaal onze eigen goddelijke gang gaan, komt er van resultaten weinig terecht. Ik zie een soort anarchie op slippers voor me die me heel onrustig lijkt.

Dan de werktaal. Ik ken maar weinig mensen die in hun eigen tijd spreken over synergie en het stroomlijnen van incentives. Ik had het laatst zelf ineens over ‘een stukje commitment’. Het was eruit voor ik het wist. Ik voelde me als directeur Anton uit De Luizenmoeder. Een beetje vies echt. Sommige mensen zitten zo goed in het jargon dat ik me afvraag hoe ze thuis bij hun moeder praten. Ik hoop altijd stiekem dat ze daar flink op hun donder krijgen als ze van die onzin uitkramen.

Regels, taal, het is allemaal vrij onschuldig. Maar wat als je op je werk echt in een rol stapt? Iemand anders bent? Belangrijke stukken van jezelf thuis laat? Artificiële stukken toevoegt? Klinkt misschien ver van je bed. Ik hoop het. Maar als je gaat nadenken over de woorden 'professioneel' en 'zakelijk', dan roept dat al snel een bepaald teflonlaagje op. Niet laten zien wat er in je omgaat. Je bent in control, no matter what. Je kunt alles aan. Omdat het van je wordt verwacht. Omdat het ‘de cultuur’ is. Maar cultuur, dat zijn toch de mensen? En hoe meer rol, hoe minder mens er overblijft. Gek genoeg accepteren we met elkaar vaak de lage standaard die dat brengt. Namelijk dat je pas meetelt als je je privéleven opoffert voor de zaak. Snoeihard bent. Je werk mee naar huis neemt, maar geen thuis mee naar werk.

Hoe fijn zou het zijn als je op je werk gewoon jezelf zou zijn? Ik bedoel niet dat je daar op de bank gaat liggen en er niet meer vanaf komt. Of hele middagen gaat zitten klagen over je schoonmoeder. Maar wel dat je mag ontspannen. Geen stukken van jezelf hoeft weg te laten. Hoe zou dat zijn? Minder stress. Minder schijn. Meer echt. Meer productiviteit. Want wanneer ben je creatiever en gedrevener? Vanuit de beperkingen van een rol? Of vanuit je eigen natuurlijke staat van zijn? Leuker wordt het sowieso.

Misschien denk je nu: waar ik werk, werkt dat niet. Maar wat als jij nu wel zo werkt? De veiligheid die het vraagt om jezelf mee te nemen naar je werk zit in jou. Je creëert hem door er zelf mee te beginnen. Negen van de tien keer inspireer je collega’s. En als het echt niet kan, is het misschien ook niet jouw omgeving.

Begin klein. Vraag eens aan je baas hoe het bij hem thuis gaat. Maak die foute grap in die superformele setting. Vertel een keer over die domme fout die je maakte bij een belangrijke klant. Vouw dat origamizwaantje voor je overwerkte collega. Sla je de plank een keer mis? Dan ben je pas echt goed bezig. Schud de boel maar op. Als er over je wordt gepraat bij de koffieautomaat, mag je jezelf feliciteren met de rol van inspirator.

Hoe bescheidenheid werkt

‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.’ Waar ik ben opgegroeid was dit een gevleugelde uitspraak. En wat je vaak hoort, pik je op. Bescheidenheid werd een vast onderdeel van iedere beoordeling in mijn leven. Als compliment of verbeterpunt. Het is maar wie je voor je hebt.

Ik kon daar prima mee leven. Vooral omdat ik een hekel had aan bluffers. Mensen met van die grote verhalen en plannen. Die altijd haantje de voorste zijn. Zichzelf overschreeuwen. Dan zit je met bescheiden toch aan de betere kant, vond ik. Ik kon anderen juist verrassen met mijn talenten. Als ik ze liet zien, ten minste. 

En daar zat wel een dingetje. Bescheidenheid kan namelijk een fantastisch excuus zijn. Om geen risico te nemen. Onder het mom van ‘ik ben maar een amateur’, ‘ik vind dat het niet aan mij is’ of 'ik moet eerst nog meer leren over bladiebla’ kun je veilig aan de kant blijven staan. In de overtuiging dat je anderen een dienst bewijst door hen ruimte te geven. Dit verhaal heb ik mijzelf ook jarenlang verteld. Storytelling waar de bluffers nog een puntje aan kunnen zuigen. 

Best fijn hoor, niemand neemt aanstoot aan je. Niemand ziet je op je bek gaan. Maar waarom niet? Omdat ze je überhaupt niet zien. Je doet niet mee. Je staat buitenspel. Voor je het weet word je toeschouwer in je eigen leven. Of erger: commentator. Druk met het beoordelen of veroordelen van anderen. En jezelf, niet in de laatste plaats. Want je voelt wel dat er meer in zit.

Om eruit te komen moet je door angst heen. Niet makkelijk, wel de moeite waard. Want deep down wil iedereen gewoon zijn wie hij is en doen waar hij blij van wordt. Meedoen, in wat voor vorm dan ook. Delen in de spanning en sensatie van het spel. Neerzetten wat er in je zit aan drive en talenten. 

Naarmate ik afscheid nam van bescheidenheid als excuus om mezelf klein te houden, begon ik het concept weer te waarderen. Maar dan in de betekenis van 'humble'. Bescheiden met dankbaarheid als grondtoon in plaats van angst. Jezelf laten zien met al je talenten en tekortkomingen is namelijk het mooiste wat er is. Omdat je voelt dat je leeft. Dat je bijdraagt. Aan een veel groter spel dan je vanaf de zijlijn had gezien. Waarin jij slechts een klein maar onmisbaar spelertje bent.

En ja, je krijgt ook push back. En je maakt fouten. Maar je speelt door. Want waarom zou jij geen fouten mogen maken? Je staat toch niet boven de andere spelers? Hier is enige bescheidenheid wel gepast. In de lat die je aan jezelf oplegt. Streven naar perfectie leidt tot stilstand. En jouw bijdrage doet er toe. Dus doe maar gek. Dan doe je al gewoon genoeg.

De kunst van het kiezen

Mogelijkheden zijn fijn. Toch? Ik ken weinig mensen die het lekker vinden om vast te zitten. En toch hebben we keuzestress. Ik heb het niet over de duivelse dilemma’s die terecht zorgen voor slapeloze nachten. Ik heb het over de relatief onschuldige keuzes. Die zorgen voor stress.

Voorbeeld: een bruiloft. Het is niet niks om eeuwige trouw te beloven aan één persoon. Maar hé, er is liefde en vertrouwen. Besluit genomen. Vervolgens is er maandenlang dikke stress over de juiste locatie, de taart, de gastenlijst en de kleur van de servetten…

Mij overkomt het uiteraard ook. Een kleine keuze kan in mijn hoofd megacomplex worden. Een soort soep van onderlinge afhankelijkheden, ‘what if’-scenario’s, complottheorieën en onduidelijke kansen die ik echt niet mag missen. Na enige studie van dit merkwaardige fenomeen weet ik wat bij mij de triggers zijn. Ik heb ofwel de verkeerde motivatie voor de keuze, ofwel de verkeerde verwachting van de keuze.

Een verkeerde motivatie is bijvoorbeeld ontevredenheid. Omdat ik even niet blij ben op werk- of relatievlak, denk dat ik iets anders moet. Mijn hoofd vindt het tijd voor actie, maar ik kan niet goed voelen wat ik moet doen. Dit interne conflict geeft onrust. En onrust is geen fijne voedingsbodem voor besluitvaardigheid. Maar het is ook een welkome waarschuwing. Want blijkbaar probeer ik een antwoord te geven op de verkeerde vraag. De vraag is niet wat ik moet doen om uit de situatie te komen. De vraag is hoe ik me beter kan voelen in de huidige situatie. Zodat ik kan kiezen vanuit vrije wil in plaats van onvrede.

Een verkeerde (lees: te hoge) verwachting van een keuze maakt het kiezen ook moeilijk. Want wat nou als het toch tegenvalt? Als het toch niet die superoplossing is? Die op alle vlakken zorgt voor versnelling, vervulling en ultiem geluk? Tot in de lengte der dagen? ‘Hoop is uitgestelde teleurstelling.’ Als je jezelf op die gedachte betrapt, is het tijd voor een beetje relativering en lef.

Het zou wat zijn zeg. Als één keuze alles verandert. Het kan wel. Maar meestal zijn het vele kleine stapjes in de goede richting, die achteraf gezien een grote verschuiving in gang zetten. En met iedere keuze zet je zo’n klein stapje.

Vraag jezelf dus niet wat de beste keuze is, maar wat je nodig hebt om te durven kiezen. Repareren kan altijd. Mocht het nodig zijn. Everything is figureoutable. Hoppa! Rode servetten. En of je ‘ja’ zegt, zie je op de grote dag zelf wel.

Feedforward

Feedback is een cadeau. Jeuk. Maar eigenlijk wel een briljante vergelijking. Je krijgt het. Soms gezellig ingepakt, soms wat lomper met het prijsje er nog op. Soms is het precies wat je zocht. Soms voer je het met een semi-dankbare glimlach af naar de container. Met een beetje schuldgevoel, dat wel.

Als ik feedback krijg ben ik in eerste instantie dankbaar voor het risico dat de ander neemt. Zeker wanneer het gaat over zaken waarbij ik de plank mis sla (vaak verkocht als ‘tip’, ‘opbouwende feedback’, ‘upside’ of ‘ruimte voor groei’). Die gunfactor wordt sterker als ik merk dat de andere partij zich netjes aan de feedbackregels probeert te houden. Een leuke verpakking is toch feestelijker dan een oude krant.

Toch wordt de waarde die ik hecht aan feedback uiteindelijk bepaald door de intentie die ik bespeur bij de gever. Tot nu toe ben ik vier soorten feedback tegen gekomen.

1) Feedback als antwoord. Deze feedback krijg je ongevraagd als je een ander feedback geeft. Dit roept blijkbaar de behoefte op om (al improviserend) een cadeau terug te geven. Hoewel er soms best rake punten bij zitten, voelt het toch een beetje als partycrashen.

2) Feedback als uiting van superioriteit. Dit is feedback waarbij de gever jou wil laten voelen hoe mooi het is dat hij zijn wijsheid met je deelt. ‘Als je straks staat waar ik nu sta, zul je begrijpen wat ik bedoel’. Dat werk. De gever vindt het cadeau eigenlijk mooier dan de ontvanger.

3) Feedback als uitlaatklep. Deze kun je herkennen aan de frustratie bij de gever. Feiten, emoties en conclusies worden door elkaar gegooid. Zie het als een cadeau dat naar je hoofd gesmeten wordt. 

4) Feedback voor groei. Feedback die komt vanuit de oprechte intentie om je verder te helpen. Het cadeau dat je niet wilt, maar wel nodig hebt.

Nu klink ik misschien als iemand die moet leren om feedback te ontvangen. Maar echt waar: zoals je gekregen rommel niet in gebruik hoeft te nemen, hoef je dat met feedback ook niet te doen. Sommige cadeautjes laat ik gewoon liever in het papiertje zitten. 

De kunst is om een mooi cadeau wel te herkennen en waarderen. Echt geven is belangeloos en voor de gever net zo kwetsbaar als voor de ontvanger. De feedback die ik kreeg vanuit de oprechte intentie om mij verder te helpen, was meestal onverwacht en pijnlijk. Onverwacht omdat het ging over iets wat ik niet van mezelf wist. Of waarvan ik dacht dat ik het goed kon verbergen (vergeet het maar 😏). Pijnlijk omdat het spot on was, precies op de zere plek. Maar ook bittersweet omdat ik me gezien voelde. En net dit zetje nodig had om het anders te gaan doen. 

Feedback is een cadeau. En goede feedback is als een schop onder je kont. Pijnlijk, maar het helpt je wel vooruit.

Waarom mijn bucketlist leeg bleef

Soms zijn de dingen die je leven leuker moeten maken een last. Ken je dat? Ik had het met de bucketlist. Echt iets voor mensen die alles uit het leven willen halen. Een simpel lijstje met dingen die je gedaan wil hebben. Leuke dingen dan hè? Dat wilde ik ook. Maar het lukte niet. En dat terwijl ik zo goed ben in lijstjes. 

Mijn bucketlistwritersblock had twee oorzaken. 1: Ik wilde het te goed doen. 2: Ik had een ander lijstje nodig. Maar daarover later meer.

Eerst mijn ambitie. Want zoals bij alles, lag de lat voor mijn bucketlist hoog. Het mocht geen lijstje worden met van die laffe acties. Waar ik volgende maand al klaar mee kon zijn. Dit lijstje was een kans om mezelf te stretchen om meer spanning en fun in mijn leven te brengen. YOLO!! Toch?! Doodvermoeiend. Er kwam niks uit m’n handen. En dat gaf me een slecht gevoel over mezelf. Blijkbaar was ik zo diep gezonken dat ik, nog los van de uitvoering, niet eens leuke plannen kon maken. Plannen waar ik echt enthousiast van werd.

Ik ontdekte dat moeten en willen bij mij slecht samen gaan. Als ik teveel ‘moet’ voel ik niet goed meer wat ik wil. Ik had geen bucketlist nodig, maar een fuck-it list. Een lijstje van dingen die ik niet van mezelf hoef. Een ‘lekker belangrijk’-lijstje. Het eerste lijstje in m’n leven dat verlichting geeft als hij langer wordt.

Want, obviously, het is lekker om minder te moeten. Ik hoef niet te sporten als ik niet wil. Ik hoef de verjaardagen van de kinderen van mijn vrienden niet te onthouden. Ik hoef niet beter te worden in m’n werk. Ik hoef geen suikervrij dieet. Ik hoef geen spelletjes te doen met mijn kinderen als ik daar geen zin in heb. Ik hoef niet bij vriendenclubjes te horen. Ik hoef m’n familie niet te bellen.

Begrijp me niet verkeerd, het mag allemaal wel. En gebeurt ook. Maar alleen als ik het wil. En echt willen leidt vroeg of laat vanzelf tot actie. 

Het geluk dat ik haal uit mijn fuck-it list is eindeloos. En het mooie is dat mijn willen, mijn verlangen, weer voelbaar wordt nu ik minder van mezelf moet. Een bucketlist heb ik nog steeds niet. Lekker belangrijk. 😏